Knooppunt Dijl (6)

11

Wie A. zegt, moet ook B. zeggen, weet ik ook wel. Maar ik houd het nog even bij A., mijn eerste concubine. Drie maanden had ik alleen gewoond, toen was ik opeens voordeurdeler, al bestond dat woord nog niet. Ik was ook bad- en beddeler, vanaf de eerste keer dat ik haar had geproefd was ik gek van haar. Een seksbom om te zien, lang blond haar, blauwe ogen waar ze jammer genoeg de verkeerde streepjes onder zette en een lippenstiftlach die een menigte tanden aan het licht bracht waar je u tegen zei. Als ze lachte, schaterde het over velden en wegen, begonnen klokken te beieren, brak de zon door, kwam er champagne uit de kraan en leefden we nog lang en gelukkig. Als ze lachte. Lang nadat in Amsterdam de laatste minirok was gesignaleerd, droeg zij nog stukjes textiel die korter waren dan het woord rok. Droeg ze geen rok, dan had ze hotpants aan, ook al uit de mode, maar wie gaf er wat om mode met zulke benen? Droeg ze geen rok en ook geen hotpants, dan lag ze in bad of in bed. Alles aan haar ademde seks. Ik snakte voortdurend naar adem.
Ze zei wel eens dat ze niet van seks hield, maar ze liet alles na om dat aannemelijk te maken. Ze gedroeg zich alsof ze er pap van lustte, ze gebruikte woorden die ik hier niet zal afdrukken en ze verleidde me vaak, en op de gekste plaatsen. Ze lxc3xa9xc3xa9k genotzuchtig, maar het genot dat ze zocht of leek te zoeken, kon ze niet vinden ─ of zelden. Seks was voor haar een manier om iemand aan zich te binden, soms zelfs boudweg betaalmiddel.
Mij had ze in elk geval aan zich gebonden, ik zag het aan voor liefde, en ze zou het mij betaald zetten. Niet dat ik helemaal blind was, wel was ik verregaand bijziend.
Ik onderschatte de wonden die het leven haar had toegebracht en overschatte mijn vermogen om die te helen. Ze was zo beschadigd dat eenvoudige handoplegging niet meer hielp.

12

Haar moeder had haar te vondeling gelegd, niet direct een vliegende start. Kindertehuis. Later een pleeggezin bij een Zeeuwsvlaamse grenspaal. Lang niet geweten dat haar vader en haar moeder niet haar vader en haar moeder waren. Weggelopen. Teruggebracht. Weggelopen. Kindertehuis. Ander pleeggezin met een vader die niet van haar af kon blijven. Weggelopen. Kindertehuis. Weggelopen. Ingetrokken bij een vriend die zich over haar ontfermde. Weggelopen.
Al weglopend was ze in D. terechtgekomen, regelrecht in de armen van mijn vriend W., die voor haar de ouderlijke woning verliet. Ze richtten een huisje in, heel vol want dat was gezellig, en ze woonden er samen dat het een aard had. Je kon zien dat ze gek op elkaar waren, maar toch ontwikkelde W. op den duur zorgelijke trekken: ze kon het weglopen niet laten. Exc3xa9n keer nam ze zijn auto mee en lichtte W. de politie in, had ze een proces verbaal wegens joyriding en rijden zonder rijbewijs aan haar hotpants. Zodoende kreeg ik, toen ze eenmaal bij mij domicilie had gekozen, een reclasseringsambtenaar aan de deur die haar verwees naar een zielmasseuse.
Dat ze wel enige professionele hulp kon gebruiken, was me inmiddels duidelijk geworden. Mijn onbaatzuchtige liefde-therapie had gefaald, hoe kon het anders, ik was partij geworden, verslaafd, dus laat dat ‘onbaatzuchtig’ eigenlijk maar weg ook. Ze balanceerde tussen hysterie en apathie. Wilde ze een piano, dan zxc3xb3u ze een piano, ze wist het zo te regelen dat er de volgende dag een werd bezorgd (terwijl ieder ander rekening had te houden met een levertijd van minstens drie weken) en haar bovendien de eerste maand huur werd kwijtgescholden. Ik schoof mijn bureau opzij, zette een paar stoelen weg. Kon zij piano spelen.
Als ze lachte, was het feest. Maar hoe vaak was ze niet apathisch, zat ze stilletjes haar wrok te koesteren jegens ‘de maatschappij’ en ‘de wereld’? En hoe vaak heeft ze me niet laten wachten, wist ik niet waar ze uithing zodat ik gek werd, of wist ik wel waar ze uithing waardoor ik ook gek werd? Ik had lang de illusie dat ze van me hield, en als we vreexc3xabn voelde ik me in die illusie gesterkt, maar de waarheid was dat ze van niemand kon houden ─ ook niet van zichzelf ─ omdat ze zo boordevol haat zat. Ze liet dus ook niet toe dat een ander van haar hield. Ik hield van haar tot ik erbij neerviel.
Tot die plof had ik me aan de petieterigste strohalmpjes vastgeklampt. Het zou wel goed komen, het zou wel beter worden. ‘Ik heb geschreven op een huisje in een hofje in R. Dat wil ik als achter-de-handje,’ overviel ze me na een concubinaat van vier maanden. ‘Je moet er niets achter zoeken, want ik blijf gewoon hier. En ik ben heus niet van plan om er te gaan hoereren, er komen geen kerels over de vloer. Alleen als we ruzie hebben zou ik erheen kunnen gaan. Dat huisje, daar moet ik op kunnen terugvallen als het misgaat tussen ons. Dat huisje is mijn ouders. Mijn stenen ouders.’
Ze had niet gedurfd om mij te vragen de brief op te stellen en daarom had ze een paar dagen eerder een van haar vele kennissen (ze wist voor elk klusje wel iemand) gebeld om advies. Niet gedurfd… Ze zei in deze nadagen ook telkens dat ze bang was om naar huis te komen, bang was om te gaan slapen… Ze was bang van mij! Was ik zo vreselijk?
Toch ging ze voorlopig nog niet weg. De laatste strohalm was een vakantie in Zuid-Engeland. We logeerden in een pension in Hastings, reden paard, vreexc3xabn in het gras. Het zou wel goed komen, het zou wel beter worden.
Dacht ik nog.
xc2xa9 1987/2004

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s