Knooppunt Dijl

30

Toen ik maar helemaal niet meer naar school ging, aangezien ik de draad allang was kwijtgeraakt, werd de tijd rijp geacht voor familieberaad. Op een zaterdagochtend moest ik verschijnen voor mijn ooms en tantes. De broer van mijn moeder had na de dood van mijn vader het voogdijschap over mijn broer en mij op zich genomen en hij maakte zich ernstig zorgen over mij. Ik wilde maar niet deugen. Denk toch aan je toekomst. Weet je wel wat je je moeder aandoet? En ga eens naar de kapper.

Voor iemand die de dag daarvoor nog op voet van gelijkheid stond met Frank Zappa was dit natuurlijk een uiterst vernederende bijeenkomst.

Wat ik dan wel wilde worden? Maar ik was toch al journalist?

De familie schamperde wat. Weet je wat jij moet doen, je moet je laten inschrijven op het arbeidsbureau. Of je maakt je school af.

Dat alternatief lachte me allerminst toe. Ik zou dan zeker een jaar over moeten doen en me temidden van allerlei sufkoppen moeten bewegen. Nee, ik voelde er niet veel voor om mijn carrixc3xa8re nog in de knop te breken. Daarom beloofde ik dat ik me de maandag daarop zou melden bij het arbeidsbureau. Dat was gevestigd in een gebouw met holle gangen dat in de negentiende eeuw nog onderdak had geboden aan een ziekenhuis. Bordewijk had het kunnen verzinnen. In zo’n duistere gang moest je op een houten bank wachten tot je aan de beurt was. Dat duurde heel lang. Intussen schuifelden ambtenaren voorbij met dikke dossiers. Ik had het sterke vermoeden dat zij hele dagen bezig waren met het verplaatsen van die mappen van de ene kamer naar de andere, zonder dat er ooit iemand een blik in wierp.

Toen het eindelijk mijn beurt was, moest ik een tragisch verlicht hok binnen. Achter een houten bureau, waaraan alles even lelijk was, zat een ambtenaar die al jaren geen daglicht had gezien. Hij noteerde mijn personalia en vroeg toen wat voor werk ik eigenlijk zocht.

‘Nou meneer,’ zei ik, ‘ik ben journalist. Ik schrijf stukjes in de krant en ben hoofdredacteur van een jongerenblad.’

‘Ah, kantoorbediende dus. Ik zal u als zodanig inschrijven.’

Kantoorbediende? Het duizelde me even. Was die man gek geworden? ‘Ik geloof dat u mij verkeerd begrijpt,’ begon ik nog, maar de sessie was afgelopen. Vermoeid zakte de ambtenaar achterover in zijn stoel en viel in slaap.

Ik ben nooit meer wezen informeren of hij misschien een baantje voor mij gevonden had. Stel je voor! In plaats daarvan sprak ik de directeur van De Plaatselijke aan. Had die geen vaste betrekking voor mij? Per slot van rekening schreef ik al in zijn krant.

Hij keek mij vanuit de hoogte aan. ‘Bij ons is geen plek voor u,’ zei hij. Teleurgesteld wreef ik het haar uit mijn ogen. Ik was langharig werkloos tuig.
xc2xa9 1987/2004

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s