Knooppunt Dijl

49

Ook mijn andere opa kwam hier ter wereld, in 1890, hij was tien jaar ouder dan de twintigste eeuw. Van zijn kant van de familie komt mijn stadsnomadisme: er is haast geen straat in de oude binnenstad waar hij niet ooit heeft gewoond. In zijn jonge jaren heeft hij er wel eens aan gedacht naar Engeland of naar Amerika te gaan, maar verder dan Amsterdam is hij nooit gekomen. Daar vervulde hij zijn dienstplicht bij de marine. Er zijn foto’s van hem in uniform, een matrozenpetje met feestexc2xaclijk lint op het hoofd, een snorretje tussen kin en bovenlip. Een forse, jonge man, waarnaast oma Bets, op andere foto’s, als onwaarschijnlijk jonge vrouw klein afstak. Foto’s waarop alle bewoners van de straat waarin mijn opa en oma op dat moment toevallig woonden staan, stram, de mannen met petten op, de vrouwen met schorten voor, kleine kinderen op de arm, iets minder kleine kinderen gehurkt voor zich, de grotere kinderen terzijde van de volwassenen, met hoepels, buitenmodel fietsen. Twee van die kinderen zijn mijn oom en tante, mijn moeder werd pas vxc3xa9xc3xa9l later geboren, misschien wel per ongeluk. Iemand kon niet zo lang stilstaan en verwerd tot een eeuwige schim. Die foto’s geven een beeld van een wereld die ooit moet hebben bestaan, mijn voorwereld, een wereld die ik ken uit de overlevering.

Daar was opa Frans goed in, in overlevering. Hij was al 61 toen ik werd geboren. In eenenzestig jaar doe je veel verhalen op.

Hij was een grote man en een groot man. In eerstgenoemde hoedanigheid viel hij mij natuurlijk het eerst op. Ik paste bij wijze van spreken in zijn hand. Mijn vader en moeder woonden in bij opa Frans en oma Bets, want woningnood. In ons eerste eigen huis kroop ik voor zijn voeten, nog wat later reikte ik tot iets boven zijn kniexc3xabn. Hij las mij voor uit de Donald Duck, verhalen waarin ik merkwaardig genoeg ook zelf voorkwam.

Ik groeide, maar niet dankzij die groei bereikte ik op een dag zijn lengte. Hij kromp, en hij kromp maar door. Hij bleef een groot man. Zijn natuurlijke autoriteit ontleende hij aan zijn levenservaring. Niet dat hij ongevraagd wijze lessen verstrekxc2xacte: hij nam het leven zoals het was – in zijn geval een zevexc2xacnennegentig jaar durende aaneenschakeling van feiten en feitxc2xacjes, vreugdetjes en verdrietjes, meevallers en tegenvallers. Hij zag mensen komen en gaan en stelde vast dat er ondanks de schijn van het tegendeel nooit iets veranderde. Op het eind wilde hij wel dat het ophield, het leven. Zijn lichaam begon steeds meer mankementen te vertonen, hij was al moe als hij het kleine stukje tussen zijn bed en de tafel had gelopen. Toch bleef hij vertellen, steeds vaker onderbroken door diepe zuchten, maar als hij vertelde hoefde hij niet te luisteren wat hem, doof als hij was, waarschijnlijk mxc3xa9xc3xa9r inspanning kostte.

De laatste weken lag hij op een ziekenafdeling. ‘Ze hebben me nou flink te pakken, joh.’ De man was op. Tijdens mijn laatste bezoek zei hij dat hij elke avond hoopte dat hij niet meer wakker zou worden. Maar hij was een ouwe taaie, de afgang werd hem niet bespaard, hij mxc3xb3est nog even.

xc2xa9 1987-1988/2005

Een gedachte over “Knooppunt Dijl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s