Elsschot verplichte kost

Rotterdam, zondag – Een ontgoocheling van Willem Elsschot had ik nog nooit gelezen, dus dat was het eerste wat ik opsloeg in de nieuwe editie van zijn Verzameld werk.
Natuurlijk kende ik de openingsalinea die te pas en te onpas wordt geparafraseerd: ‘De Keizer was sigarenfabrikant. Veel geld verdiende hij niet want hij werkte slechts met enkele mensen, had te weinig kapitaal en maakte geen reclame zodat hij niet vooruitkwam in de wereld.’
Met die verwijzing naar de heilzame werking van reclame pleitte Elsschot met de hem kenmerkende ironie voor zijn eigen nering.
Toppunt van ironie is trouwens wel de titel van de korte roman. Exc3xa9n ontgoocheling? Ontgoocheling op ontgoocheling stapelt zich op in het leven van de sigarenfabrikant. Zijn weinige klanten rekruteerde hij in kennissen- en familiekring, maar als hij uit het zicht is, steken ze toch liever een sigaar op van de concurrentie; er wordt in verband met zijn product zelfs onbesmuikt gesproken van ‘stinkstokken’.
Dan is er nog zoon Kareltje in wie al bij voorbaat een advocaat wordt gezien. Het ventje is begiftigd met een buitengewoon groot hoofd, maar er komt te weinig uit om hem door het eerste jaar van het gymnasium te loodsen. Zo komt Karel De Keizer – ook geen onironische naam – als jongste bediende in een drukkerij te werken waar hij wordt onderworpen aan de ene vernedering na de andere. De jongen meent dat hij er met paard en wagen op uit mag, maar in werkelijkheid moet hij met een hondekar de klanten langs.
Tot overmaat verliest de oude De Keizer het voorzitterschap van zijn whistclub en introduceert zijn opvolger allerlei nieuwerwetsigheden, en huis had hij al weinig in te brengen. Geen wonder dat hij klachten krijgt en uiteindelijk het loodje legt.
Misschien bedoelde Elsschot de titel Een ontgoocheling als synoniem voor ‘het leven van De Keizer’ – anders is er toch bepaald sprake van een understatement.
Ik heb meteen maar het andere korte verhaal Het dwaallicht gelezen, het laatste officixc3xable proza van Elsschot (1946). Verplichte kost, lijkt mij, in deze tijd van xenofobie. Want hoewel de schrijver het onverbloemd heeft over ‘rijstkakkers’ en ‘zwartjes’, loopt hij over van liefde voor drie Afghaanse moslim-zeelui in een hen vreemde stad op zoek naar een zekere Maria Van Dam die in deze vergeefse queeste bijna mythische allure krijgt. De ik-figuur hoeft zich maar voor te stellen hoe hij zelf eenzaam en verloren in Bombay zou ronddwalen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s