Als het boek ‘Zuchten van de ziel’ in de brievenbus valt, gaat het zonnetje schijnen

Rotterdam, woensdag – Op deze buitengewoon druilige ochtend brengt de post het boek Zuchten van de ziel. Bijzondere muziek in bijzondere tijden. Initiatiefnemer Guido Bindels verzamelde voor zijn Facebookpagina tientallen verhalen van Nederlandse schrijvers en journalisten over de muziek die hen, bij wijze van spreken, verpletterde. Zelf droeg hij ook een aantal stukken bij. In het boek zijn vijfenzeventig van die verhaal bijeengebracht.

Tussen bijdragen van Edwin Winkels, Bert Wagendorp, Vincent Bijlo, Vincent Mentzel, Jeroen Wielaert, Mart Smeets, Guus van Holland, Renze Lolkema, Kees Thies, Wim Kerkhof, Jan D. Swart, Sebastiaan Timmermans en Sander de Kramer staat mijn verhaal over ‘Like a rolling stone’ van Bob Dylan. Dat laat ik hieronder volgen, op voorwaarde dat u het boek (verschenen bij Uitgeverij De Kring, ISBN 9789462971820, € 19,99) aanschaft, want een deel van de opbrengst gaat naar de zorg voor Guido Bindels’ meervoudig beperkte dochter Brigitte (over wie hij trouwens ook een boek schreef).

Als ik nu naar buiten kijk, heeft de druil plaatsgemaakt voor een aarzelend zonnetje. Toeval?

Bob Dylan – Like a rolling stone

Wat herkende mijn dertien-, bijna veertienjarige ziel in Bob Dylan, of preciezer: in diens ‘Like a Rolling Stone’? Probeer daar vijfenvijftig jaar later maar eens de vinger op te leggen. Waarom schiet ik, als Dylan het tijdens een concert uitvoert, nog steeds vol terwijl ik meebrul met de massa: ‘How does it feel’?

Mijn dertienjarige ik groeide op in de provinciestad Dordrecht in een prettig gezin dat bezig was aan een bescheiden spurt op de maatschappelijke ladder. Sinds de overgang van de eerste naar de tweede klas van het gymnasium was ik in het bezit van een pick-up en een handvol singles die ik in wisselende volgorde speelde. Ik was fan van The Beatles en The Rolling Stones en elke zaterdagmiddag luisterde ik naar de Top 40 op Radio Veronica. Zo moet ik op 28 augustus 1965 voor het eerst ‘Like a Rolling Stone’ hebben gehoord dat op die dag op nummer 18 de hitparade binnenkwam.

Ik geloof dat ik van mijn stoel viel.

Wat was dít? De dubbele drumklap waarmee het nummer begint, de piano en het orgel die tegelijk invallen, na tien seconden die stem, dat honende zingen, dat toewerken naar het refrein op één minuut met die uithaal in ‘meal’ die overgaat in ‘how’ van het eerste ‘how does it feel?’ Hoe ruig de Stones ook waren (‘Satisfaction’ stond die week op 2), hoe lekker The Beatles klonken (‘Help!’ stond op 1), dit was andere koek, dat hóórde ik, maar hoe kan dat? Hoe kan het dat ik dat hoorde?

Op het gymnasium werden meer lesuren besteed aan Latijn en Grieks dan aan Engels. ‘(I can’t het no) Satisfaction’ en ‘Help!’ kon ik meezingen en ik wist ook wát ik zong (hoewel bevrediging toen voor mij nog een niet-seksgerelateerd begrip was), maar wat was ‘scrounging for your next meal’ en wat betekende ‘Napoleon in rags and the language that he used’, wat was een ‘chrome horse’ en wat een ‘mystery tramp’? Ja, nú staat de tekst op bobdylan.com, toen moest je wachten op de eerstvolgende Muziek Expres in de hoop dat die daarin stond afgedrukt, want afgezien van de betekenis van de woorden: wát zingt-ie eigenlijk, Dylan? Voor ongeoefende oren is ’Like a Rolling Stone’ niet per se gemakkelijk te volgen, met woordgrappen als ‘you only used to get juiced in it’ en ‘drinkin’, thinkin’ that they got it made’ en die eigenzinnige frasering.

Vanaf die eerste keer probeerde ik het nummer zo vaak mogelijk te horen. Dat lukte in elk geval de eerstvolgende zaterdagmiddagen, want ‘Like a Rolling Stone’ hield zich in totaal twaalf weken staande in de hitparade. Het bereikte zelfs de zevende plaats. 

Nu moest ik het plaatje maar kopen, op 1 oktober kreeg ik weer zakgeld: vijf gulden. Meteen na school richtte ik die vrijdag mijn schreden naar Simonis op de Voorstraat waar ik voor drie gulden vijfennegentig mijn allereerste Bob Dylan aanschafte. Op de achterkant van ‘Like a Rolling Stone’ stond ‘Gates of Eden’.

Thuis draaide ik de plaat tot gek wordens van mijn ouders toe, bovendien stond het eten op tafel. ‘Heb je dat gekocht?’ vroeg mijn vader. Ik knikte. ‘Van mijn zakgeld,’ zei ik. Andere inkomstenbronnen had ik niet. Het was even stil voordat mijn vader akelig kalm zei: ‘Dus jij besteedt je geld aan dit soort herrie?’ ‘Nou, herrie…’ begon ik. Bijna alsof hij het als grap bedoelde, zei hij: ‘Hoe ga je het dan doen als je broer en ik straks jarig zijn?’ Niet-begrijpend keek ik hem aan. Ik was heus niet vergeten dat mijn broer op 11 oktober jarig was en mijn vader een dag later. ‘Wat kostte dat plaatje eigenlijk?’ Ik noemde het bedrag. Mijn vader, die boekhouder was bij een bedrijf dat bruggen bouwde, snauwde: ‘Dus jij koopt voor één gulden en vijf cent een cadeautje voor je broer en een cadeautje voor mij?’ ‘Doe nou maar rustig,’ zei mijn moeder tegen mijn vader. ‘Die rotmuziek ook,’ zei hij.

Nu – I was so much older then, I’m younger than that now – begrijp ik de boosheid van mijn vader maar al te goed. Hij werd dat jaar veertig, een kroonjaar (besef ik nu), mijn broer werd tien, ook een kroonjaar (besef ik nu), en ik stond daar toen niet bij stil, want ik vond die rotmuziek belangrijker. Nee, die rotmuziek wás belangrijker. Ik moet toen hebben begrepen dat dit niet zomaar een popdeuntje was, dat Bob Dylan niet het zoveelste inwisselbare tieneridool was.

In de vijfenvijftig jaar daarop ben ik hem bijna altijd blijven volgen, alleen toen hij in de Heer was, ben ik even afgehaakt geweest. (Ik zie zijn drie reli-albums nu meer als stijloefeningen dan als getuigenis.) Ik heb alle albums, talloze bootlegs, de honderd Theme Time Radio Hours, flink wat boeken, een paar vintage-foto’s en de beroemde foto van Richard Avedon op abri-formaat die langs de trap naar zolder hangt, geregeld doet zich een gelegenheid voor om een Dylan-regel te citeren, ik heb veel concerten bezocht (waaronder het eerste in Nederland in De Kuip) en ik heb een paar vrienden met wie ik alleen over Dylan praat. Ik vond het terecht dat Bob Dylan in 2016 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. Hij is de Shakespeare van onze tijd, luister naar ‘Murder Most Foul’. 

Is hij een profeet? Ik geloof niet in profeten. ‘I ain’t no false prophet,’ zingt hij op zijn nieuwe album Rough and Rowdy Ways, maar wat ben je als je ontkent dat je een valse profeet bent?

Hoe dan ook, er was wel íets dat mijn dertienjarige ziel bij de kladden greep en nooit meer losliet.

Met die cadeautjes voor mijn vader en mijn broer kwam het uiteindelijk goed, want mijn vader deed het verstandigste wat hij kon doen: hij verhoogde mijn zakgeld.

Overigens is het motto van mijn roman Van Steen ontleend aan ‘Gates of Eden’, de flipside van ‘Like a rolling stone’:

At times I think there are no words
But these to tell what’s true
And there are no truths outside the Gates of Eden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s