De eerste sterfdag van Jules Deelder (1944-2019)

Jules Deelder in 1987 gefotografeerd door Maarten Laupman in opdracht van Het Vrije Volk.

Rotterdam, zaterdag – Jules Deelder stond niet onverschillig tegenover de dood. Hij vond er veel dingen van, 147 om precies te zijn. In het gedicht ‘De dood’ (uit de bundel Ruisch, 2011) gebruikt hij 73 woordparen die soms elkaars tegenovergestelde zijn: hier – daar, ver – na, sterk – zwak, wit – zwart, soms elkaar versterken: oud – wijs, vals – schijn, link – louche, wild – woest. In de eerste regels is de dood nog hard en wreed, zacht en week, goed en fout, later wordt-ie scherp, bot, zwaar, rot, kramp, pijn, angst en toch ook nog een keer lief. Maar in dat deel van het gedicht zijn de woordparen ontleend aan gezegden. Op lief volgt leed, verder zien we zak en as, heer en knecht, moord en brand. 

Doordat elke versregel begint met ‘De dood is’, waarna een eenlettergrepig woord volgt dat soms allitereert met een eerder woord (warm – waar), soms rijmt op een vorig woord (wijs – prijs) en soms door binnenrijm met een ander woord is verbonden (doof – groot), heeft het gedicht een sterke cadans, een beat. Je hóórt Deelder het gedicht uitspuwen.

De voorlaatste regels luiden: ‘De dood is punt / De dood is uit’ om op regel 147 met een daverende klap te eindigen: ‘De dood is kut’.

Je zou bijna zeggen dat Jules Deelder met dit gedicht de dood aan het lijntje probeerde te houden, flirtend en flemend, maar ook scheldend en schoppend. Het lijkt een poging om zich met de dood te verzoenen, zoals iemand, enerzijds-anderzijds afwegend, probeert om tot een mening te komen. In dit geval is maar één conclusie mogelijk, de onweerlegbare waarheid dat de dood kut is.

Nog geen maand nadat Jules Deelder, niet in het minst tot zijn eigen verbazing, zijn 75ste verjaardag vierde, klopte de dood bij hem aan. Hij overleed op 19 december 2019 in het ziekenhuis nadat hij de avond ervoor onwel was geworden. Het nieuws dompelde de stad in rouw. Op het stadhuis ging de Rotterdamse vlag halfstok, de ex-burgemeesters Bram Peper en Ivo Opstelten en hun opvolger Ahmed Aboutaleb betuigden gezamenlijk in een dagbladadvertentie hun deelneming met het overlijden van hun nachtcollega: ‘Rotterdam hield van hem, en dat houdt niet op.’

Justus Anton Deelder werd op 24 november 1944 geboren in de Martinus Dorpiusstraat in Overschie. Zijn vader was twee weken eerder, met 52.000 andere Rotterdamse mannen, opgepakt bij grootschalige razzia’s en afgevoerd naar Duitsland om dwangarbeid te verrichten. Pas in mei 1945 kon Arie Deelder zijn bijna halfjaar oude zoon Juul in zijn armen nemen. 

Dat hijzelf de oorlog op een haar na heeft gemist, leidde bij Jules Deelder tot een fixatie voor alles wat ermee te maken heeft, schrijft Anton Slotboom in zijn biografie De zin van het leven ben je zelf, die twee maanden na Deelders dood verscheen. Het was een obsessie die hij zijn leven lang bij zich droeg. In interviews, publieke uitspraken en in zijn werk, maar ook door zijn verschijning, leek Deelder te koketteren met het gedachtengoed van de nazi’s. Zijn boeken dragen titels als De zwarte jager, Sturm und Drang, Junkers 88, Schöne Welt en hij kleedde zich bij voorkeur in Hitlers lievelingskleur zwart. ‘Schnellheit macht frei’, zei hij een keer in zelfgebakken Duits, een sinistere nazileuze parafraserend. Maar hij zei ook: ‘Nee, natuurlijk ben ik niet voor Hitler. Hoe zou je voor Hitler kunnen zijn?’ 

De allereerste dichtregel die hij schreef toen hij twaalf was, refereerde evenzogoed aan oorlog, zij het de Koude:

Hoor, men werpt een atoombom.

Welk kind van twaalf gebruikt de gebiedende wijs en woorden als ‘men’, ‘werpt’, ‘atoombom’? Was Deelder op zijn twaalfde een ouwelijke jongen? Spreekt hier al de dichter, die later in zijn spelling van het Nederlands uiting zou geven aan een ‘terug’verlangen naar een tijd waar hij zelf geen deel aan heeft gehad? Ruisch en Bijbelsch zijn titels van poëziebundels, voor ‘altijd’ prefereerde Deelder ‘altoos’ en in dit verband is ook Interbellum veelzeggend. Zijn liefde voor jazzmuziek moet aan diezelfde ‘terugwerkende kracht’ worden toegeschreven. Jules Deelder was een generatiegenoot van The Beatles, maar hij luisterde liever naar Chet Baker die hij rond zijn tiende voor het eerst op een plaat had horen zingen.

Hoe dan ook heeft Jules Deelder al vroeg in woord en daad vorm gegeven aan zijn eigen storm en drang. Op zijn negentiende publiceerde hij het verhaal ‘gewoon maar hondje uitlaten’ in het Algemeen Handelsblad van 28 september 1963. Hij noemde zich in die tekst van 540 woorden ‘een romantische jongen, niet vrij te pleiten van een zekere mate van weltschmerz’. Weltschmerz!

Achteraf kunnen we zeggen dat in dit verhaal de hele Deelder zoals we die hebben leren kennen zich manifesteerde. ‘[Het] is alles zo nutteloos,’ schreef hij. Zou zelfmoord een oplossing zijn? Welnee, want tussen haakjes vervolgde de jonge schrijver: ‘(heerlijk om aan te denken maar niet om te doen!)’. Hier was iemand aan het woord die niet bij de pakken wilde neer zitten, die het nutteloze van het bestaan wilde bestrijden door te doen, door er te zijn, door niet onopgemerkt te blijven. Iemand die barstte van het leven.

Jules Deelder trad uit de schaduw van Overschie en werd de dichter, schrijver, performer, aucteur, jazzliefhebber, muzikant, oer-Spartaan, aarts-Rotterdammer, reclamemaker, theaterman, zanger, nachtburgemeester en gentleman-junk die al zijn tijd en energie stak in het Jules-Deelder-zijn, waar hij méér dan een dagtaak aan had. Hij was alles tegelijk en daarnaast ook nog de partner van AMC (Annemarie Fok) en de vader van dochter Ari. Iedereen kent het gedicht dat hij voor haar schreef: ‘

Lieve Ari
Wees niet bang

De wereld is rond
en dat istie al lang

De mensen zijn goed
De mensen zijn slecht

Maar ze gaan allen
dezelfde weg

Hoe langer je leeft
hoe korter het duurt

Je komt uit het water
en gaat door het vuur

Daarom lieve Ari
Wees niet bang

De wereld draait rond
en dat doettie nog lang. 

Het gedicht is aangebracht in de fietstunnel van de Beneluxtunnel, zoals andere gedichten van Jules Deelder op verschillende gevels in Rotterdam te lezen zijn: ‘Het lot dat we delen / laat niemand alleen’ – hoek Middellandstraat-Beatrijsstraat, ‘Binnen de perken / zijn de / mogelijkheden / even onbeperkt / als daarbuiten’ – Vasteland, ‘Alles blijft / Alles gaat voorbij / Alles blijft voorbijgaan’ – in de Botlek.

Alles gaat voorbij. Ook het leven van Jules Deelder. Hij wist:

Vroeger of later
ga je dood […]
Zo oud als Sparta
word je nooit

En als je gaat
is het je tijd geweest.

Hij weet nu ‘ofter een hemel is’ en of de

Hemelpoort — o!
brok in ons keel —
verdacht veel weg heeft
van het Kasteel. 

Hoe het ook zij: ‘De dood is kut’.

Frank van Dijl in het Rotterdams Jaarboekje 2020.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s